SchatkistWillem wenste over een sterk leger te beschikken om het leger van koning Jacobus II van Engeland, als het moest, te verslaan. Het was duidelijk dat hij rekening hield met een grootscheepse militaire actie. De Staten-Generaal breidden de vloot uit met 9.000 man en de opbouw van de vloot werd gefinancierd met een staatslening van 4 miljoen gulden, die op verzoek van Willem werd uitgeschreven. Opmerkelijk is dat de in 1685 uit Frankrijk gevluchte hugenoten massaal intekenden op deze staatslening.
Naast de gelden van de Staten-Generaal, wist Willem te putten uit particuliere geldbronnen. Helaas zijn de exacte bedragen niet meer te achterhalen. Een van de meest opvallende figuren die telkens opduikt in de literatuur rond dit thema is Don Francisco Lopez Suasso. Deze joodse bankier kwam uit een vermogende familie die ten tijde van de Inquisitie op het Iberische schiereiland naar Amsterdam was gevlucht waar de familie weer openlijk joods mocht zijn. Don Francisco was de oudste zoon uit dit bankiersgeslacht en trouwde in 1682 met Judith Francisco Teixeira. Ook zij kwam uit een bankiersfamilie.
Dat Don Francisco goed in de slappe was zat, moge duidelijk zijn. Hoewel dit niet expliciet in de literatuur naar voren komt, vermoed ik dat Don Francisco en Willem bevriend waren. De bankier leende de prins twee miljoen gulden, contant overhandigd in een kist. Toen Willem hem vroeg wat de bankier als waarborg verlangde, antwoordde deze:
Als het u lukt, weet ik dat u mij terug zult betalen, zo niet, dan leg ik mij neer bij het verlies.
Lopez Suasso zal zijn redenen hebben gehad Willem te steunen en bereid te zijn een eventueel verlies te dragen. Een andere bankier, Sir Solomon Medina, leende ook een bedrag. Arjen van der Kuijl, die de financiering van de expeditie uitvoerig bespreekt in zijn boek De glorieuze overtocht, heeft niet kunnen achterhalen hoe groot de bijdrage van Medina was. Wel weet hij dat de bankier betrokken was bij de legerbevoorrading van het invasieleger.
De financiering van het leger was lastiger dan het bekostigen van de vloot. En daarbij ging het niet uitsluitend om het expeditieleger maar óók om de vervanging van het Staatse leger in de Republiek zelf door Duitse en Zweedse troepen, waarover later meer. De kosten voor dit laatste bedroegen ruim een miljoen gulden.
Van het expeditieleger waren vooral de kosten voor transport erg hoog. Het verplaatsen van enorme aantallen mensen, paarden, artillerie en voorraden in de Republiek en naar Engeland was een financiële en logistieke nachtmerrie.
Een tweede kostenpost waren de salarissen. De oorlogsveteraan maarschalk Frederik von Schomberg, die het commando voerde van het expeditieleger, verdiende een aanzienlijke vergoeding van ruim vierduizend gulden per maand. Willem had er veel voor over om zijn voormalige tegenstander, uit het leger van de Franse koning, het opperbevel te laten voeren van zijn invasieleger. Het bewijst eens te meer dat de prins zich makkelijk over gevoeligheden heen kon zetten en dat het resultaat voor hem belangrijker was dan persoonlijke sentimenten. Van Schomberg was gewoon de beste man voor de opdracht.
In vergelijking met het ruime salaris van de maarschalk verdiende een luitenant-generaal duizend gulden per maand, een kolonel bij de infanterie verdiende tussen de honderd en de zeshonderd gulden en een ‘gewone’ infanterist slechts zestien gulden per maand.
Een derde begrotingspost was de bevoorrading van het leger. Het is boeiend om te lezen wat de mannen meenamen. Een kleine selectie uit de lijst van goederen: 10.000 pond kaas, 12.960 pond meel en 1600 vaten bier. Verder nog 50 vaten brandewijn, 1600 vaten water en 10.000 paar schoenen. Om nog maar te zwijgen over de 2000 zadels, de grote hoeveelheid karabijnen en pistolen. De totale uitrustingskosten van vloot en leger bedroegen ruim zeven miljoen gulden, in die tijd een astronomisch hoog bedrag. De financiering van de expeditie zal Willem slapeloze nachten hebben bezorgd. Maar niet alleen dat. Het samenstellen, bevoorraden en financieren van een expeditieleger was één aspect van de operatie.
Wie zou de landsgrenzen beschermen tijdens Willems afwezigheid? Het is wat mij betreft zeker dat Willem de expeditie had afgeblazen als hij niet de garantie van de Duitse keurvorsten had gekregen.
Johan George III van SaksenBentinck wist met Hessen-Kassel, Brunswijk-Wolfenbüttel en Celle wél gunstige overeenkomsten te sluiten. Uiteindelijk verplichtte ook Württemberg zich, zij het na inmenging van de geroutineerde graaf van Waldeck. Dit kwam uiteindelijk neer op een levering van 7.500 man.
Niet veel later bezocht Godard van Reede, een andere diplomaat en vertrouweling van Willem, Aken waar de keurvorst van Saksen op dat moment verbleef. De welwillende Godard kreeg geen toezegging los van de stugge Johan Georg III. Willem besloot daarop de Saksische keurvorst uit te nodigen. Willem en Mary zullen enorm hun best hebben gedaan om het Johan naar de zin te maken want de keurvorst was onder de indruk van de hartelijke ontvangst die Willem en Mary hem gaven op Het Loo en later in Den Haag. Maar ondanks deze gestes bleef de Saksische keurvorst hardvochtig en was niet bereid met manschappen over de brug te komen. Een derde poging van de charmante Jacob Hop bleef eveneens zonder resultaat. Interessant is dat de keurvorst van Saksen twee maanden later de zijde van de Franse koning koos. Johan moet in Apeldoorn en Den Haag onder geweldige druk hebben gestaan want hoe onaangenaam is het een vijand te hebben tegen wil en dank.
Willem trachtte niet alleen troepen uit het Duitse Rijk over te nemen, ook met Zweden werd intensief onderhandeld. Op 12 september sloot Willem een overeenkomst met de Zweedse koning die zich hiermee verplichtte tot de levering van 72 compagnieën met een totaal van 6.048 man. Twee maanden voor vertrek van de invasievloot leek het Willem en zijn medestanders voor de wind te gaan. Het tegendeel was waar. Begin september ontving de prins een brief van graaf Danby, een van de Zeven ondertekenaars van de uitnodiging aan Willem, om de expeditie uit te stellen tot het voorjaar.
De twijfel die door deze brief bij Willem werd aangewakkerd, verdween door de berichten die de secretaris van Bentinck, Jacob van Leeuwen, naar Den Haag bracht. Danby stond alleen. De andere ondertekenaars drongen juist op haast aan, net zoals de Engelsen in Den Haag. Maar de prins liet zich niet opjutten. Hij moest militair opgewassen zijn tegen koning Jacobus II én rekening houden met de komst van een Franse vloot. Zijn angst dat koning Lodewijk XIV de Republiek tijdens zijn afwezigheid zou aanvallen was redelijk. De afspraken met zijn Duitse en Zweedse bondgenoten konden deze bezorgdheid slechts gedeeltelijk wegnemen. Overigens had de prins zijn wervingen in het buitenland op eigen titel gedaan en zonder toestemming vooraf van de Staten-Generaal. Het geeft aan dat het Willem menens was.
Maar op 26 september inspecteerde Willem persoonlijk zijn troepen op de Mookerheide bij Nijmegen. Het was niet meer dan een afleidingsmanoeuvre. De mobilisatie aldaar gaf koning Lodewijk XIV de indruk dat de prins zich voorbereidde op een aanval van Frankrijk. Echter, een dag later viel Lodewijk XIV Philippsburg aan in het Rijnland. Nu verplaatsten Willems regimenten zich met schepen langs de Maas als de wiedeweerga naar Brielle en Hellevoetsluis, om daar te worden ingescheept.
Japikse komt tot deze veelzeggende slotsom:
Hun (Willem en Lodewijk) wegen schenen diametraal uiteen te lopen, om toch ten slotte in het ééne punt, dat voor beiden de hoofdzaak was, te convergeren, de toekomst van Europa.Uit: Dr. N. Japikse: Prins Willem III, de stadhouder-koning, p. 240
Dit is het tweede blog waarin de Glorieuze Revolutie centraal staat. Het is onderdeel van de website: the Orange Way. Het eerste deel verscheen eind april.
Meer weten?Hét handboek over Willem III is nog altijd Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III, een politieke biografie (Uitg. Verloren, 2001). Wie meer over de logistieke kant van de operatie wil weten, leest Drs. Arjen van der Kuijl, De glorieuze overtocht (De Bataafsche Leeuw, 1988). Hoe de Glorieuze Revolutie de weg vrij maakte voor de Amerikaanse Bill of Rights van 1791, wordt verklaard door Michael Barone, Our first revolution (Three Rivers Press, 2007).






