De Java-oorlog, van 1825 tot 1830, werd vanaf Javaanse zijde aangevoerd door prins Diponegoro. Binnen korte tijd wist de prins een massale opstand tegen het Nederlands-Indische bestuur te organiseren. Aanleidingen voor deze oorlog waren divers. Er speelde al enige tijd een opvolgingskwestie aan het hof van Djokjakarta, een gebied op Java dat door plaatselijke vorsten werd geregeerd. Het Nederlandse gouvernement had toezeggingen aan Diponegoro gedaan, maar maakten deze niet waar toen de opvolging nabij was. Maar er was meer aan de hand, de Javaanse adel werd zonder vorm van overgang niet meer toegestaan geld te innen voor de verhuur van hun landerijen, een privilege dat nog door gouverneur generaal Daendels was ingevoerd. Die landverhuur had eerder nadelige gevolgen voor de bevolking gehad, maar door de regeling nu abrupt af te breken leden de vorsten schade. Een derde aanleiding die dikwijls wordt genoemd had te maken met aanhoudende droogte met misoogsten en onrust onder de bevolking tot gevolg.
De prins stookte de onrust op, en maakte er een godsdienstoorlog van die onder grote delen van de bevolking aanhang vond. Hij beviel de districtshoofden in het vervolg geen belasting meer te betalen. Het geld diende gebruikt te worden om de christenen van het eiland te ontdoen en hen die de islam niet omarmden, te vermoorden. De opstand, en met name de massaliteit ervan, kwam voor het Nederlandse gouvernement enigszins als een verrassing. Luitenant generaal De Kock werd naar de Vorstenlanden gestuurd om de onlusten direct de kop in te drukken. Dat bleek een foute inschatting. De oorlog zou maar liefst vijf jaar duren en duizenden het leven kosten, volgens schattingen 200.000 Javanen; aan Nederlandse zijde sneuvelden 15.000 militairen. Nederlagen aan beide kanten en mislukte onderhandelingen om de strijd te beëindigen maakten dat de strijd zich eindeloos voortsleepte. Pas eind 1829 werd duidelijk dat de Javanen het onderspit delfden. Op 9 februari 1830 gaf Diponegoro de strijd op.
De scene hier afgebeeld door Pieneman verbeeldt het definitieve einde van de oorlog: 28 maart 1830, Diponegoro die gevangen genomen wordt door De Kock. De oorspronkelijke titel van het schilderij spreekt van een ‘onderwerping’ aan De Kock, de opdrachtgever van het schilderij. Mogelijk zag hij deze arrestatie als een hoogtepunt in zijn militaire loopbaan, in ieder geval als een mooi resultaat na deze periode van geweld.
Het is echter iets minder netjes gegaan als het lijkt. Onder het mom van een uitnodiging tot onderhandeling over de precieze beëindiging van de oorlog, en een beloofde vrijgeleide ongeacht de uitkomst, was de prins naar het residentshuis te Magelang gekomen. Er werd inderdaad onderhandeld, zo’n drie uur lang, maar van een vrijgeleide was na de gesprekken geen sprake. De prins werd gevangen genomen en verbannen.
~ Martine Gosselink, hoofd afdeling Geschiedenis van het Rijksmuseum
Lees ook - Historicus: 'Maak een zwarte canon'









